Emma bleek te zijn verdwenen. De deur zat op slot en zoals haar nichtje haar al gewaarschuwd had, had zij de sleutel. Lucy rammelde aan de deur, hoewel ze wist dat dat geen enkele zin had.

“Ik bel haar wel even,” zei ze tegen Eli, die met haar meegelopen was. Emma mocht het dan wel idioot vinden dat ze haar telefoon altijd in haar broekzak stopte en geen tasje met zich meezeulde om zulke zaken in op te bergen, maar deze keer bewees dat zijn nut maar weer eens. Haar rugzak lag achter de afgesloten deur. Emma nam echter niet op.

“Dan ligt ze vast in het zwembad ofzo. Of onder de zonnebank.” Met een zucht borg ze haar telefoon weer op. Ze had Emma verlekkerd door de hotelbrochure zien bladeren. Het leed haast geen twijfel dat ze na het bekijken van de foto’s haar handdoek en badjas uit de badkamer had gegrist en naar het solarium was vertrokken. Het enige wat Lucy stoorde, was dat ze niet de moeite had genomen om bereikbaar te blijven.

“We pakken je tas straks wel. Laten we eerst de stad ingaan,” stelde Eli voor. Hij stond te popelen van ongeduld. Voor hem was het dan misschien één groot feest van herkenning om weer in Liverpool te zijn, maar zij kon dat enthousiasme niet met hem delen. Zelfs heel de dag voor de deur zitten wachten tot Emma terugkwam leek haar een stuk aantrekkelijker dan naar de Cavern Club te gaan.

“Vooruit dan maar,” mompelde ze met tegenzin. Ze wist dat ze er toch niet onderuit kon komen. Eli pakte haar hand vast. Ze vroeg zich af of dat vanuit een romantische opwelling was of dat hij bang was dat ze hier alsnog zou blijven staan. Hij sprak de gevreesde woorden:
“Laten we naar de Cavern Club gaan.”

“Echt?” Ze kon niet verbergen dat ze er nog meer tegenop zag dan dat ze zojuist had gedacht. Nu hij de woorden had uitgesproken, lagen ze als zware stenen in haar maag. Konden ze niet beter eerst in een pub gaan zitten, zodat ze zich vol kon gieten met het slappe, Engelse bier? Eli kneep in haar hand.
“Geen zorgen, ik ben bij je. Er zal je niets overkomen.”

Nee, hij had makkelijk praten. Van hem werden geen vreemde, bovennatuurlijke dingen verwacht. Zoals het laten terugkeren van een god, bijvoorbeeld. Ze keek naar zijn gezicht. Er speelde een geamuseerde glimlach rond zijn lippen. Eli had ongetwijfeld alle reden om opgetogen te zijn: hij was in Liverpool, waar haast iedere baksteen en iedere stoeptegel de namen van The Beatles leek uit te schreeuwen. Overal waar ze keek, stond wel iets wat aan de beroemdste band ooit moest herinneren. En als het er niet stond, wees Eli haar er wel op. Bovendien was híj degene die op zoek was naar Brin. Het was zijn geloof. Zij werd er alleen maar tegen haar zin in bij betrokken.

Eli leek geen enkele twijfel te hebben over waar ze heen moesten. Lucy vroeg zich af hoe vaak hij hier wel niet geweest moest zijn om zo goed de weg te weten. Ze vroeg zich ook af of hij bij zijn vorige bezoeken niet wat beter op had kunnen letten. Als hij toen al van alles over Brin, of Brian Epstein zoals hij hier heette, had weten te ontdekken, had zij hier wellicht nu niet gelopen. Met iedere stap die ze deed voelde ze haar tegenzin toenemen.

“Lucy, kijk eens wat vrolijker!” Eli onderbrak haar gedachten. Ze keek hem aan alsof hij gek was. In plaats van dat hij medelijden voor haar toonde, begon hij echter te lachen. “O, kom op. Het is juist geweldig om hier te zijn. Ik zal straks een Beatles T-shirt voor je kopen, dan hoor je er helemaal bij. Je zult zien dat je dan wat opvrolijkt.”
Ongetwijfeld. Het zou vast een wereld van verschil zijn wanneer ze met een Beatles-shirt aan het gewelf van de Cavern Club op haar kop kreeg, in plaats van wanneer ze dit paarse T-shirt droeg.

Lijdzaam liet ze zich meevoeren. Het was veel dichterbij dan ze had gehoopt en gedacht. Voor ze het wist, stonden ze voor een rode, openstaande deur die toegang gaf tot het keldergewelf. Heel even kwam het beeld haar vertrouwd voor, maar iets klopte er niet. Lucy herinnerde zich dat Eli had gezegd dat de Cavern Club opnieuw opgebouwd was op nagenoeg dezelfde plaats. Het klopte bijna. Verontrust vroeg ze zich af hoe ze dat wist.

“Ben je er klaar voor?” vroeg Eli. Ze knikte bevestigend, hoewel ze allebei wisten dat ze zich het liefst had omgedraaid om weg te lopen. Hij hield nog steeds haar hand vast. Samen stapten ze door de deur om in een halletje te belanden. Er was maar één mogelijke weg en dat was de stalen trap die naar beneden voerde. Vanuit de ruimte die onder hen lag, klonk gitaarmuziek.

Aarzelend volgde ze Eli. Ze remde zijn enthousiaste tred enigszins af, zodat ze niet al te snel beneden zouden staan. Uiteindelijk kwam toch het eind van de trap in zicht. Het rook er naar urine en verschaald bier, maar de geur was anders dan ze zich uit haar dromen herinnerde. Ze vroeg zich af of het vroeger echt zo enorm had gestonken. Daarmee vergeleken viel het nu wel mee.

“Volgens mij treedt er iemand op,” zei Eli. Zijn stem klonk verheugd. Hij was al bijna binnen, terwijl zij nog bedachtzaam in de gang stond. Ze hoorde inderdaad het geluid van stemmen en het gepluk aan snaren. Lucy haalde diep adem en stapte achter Eli aan de ruimte binnen. Het was er klein en schemerig. De keurige rijen met stoelen waren verdwenen en hadden plaats gemaakt voor lage tafeltjes en dito krukjes. Links van hen, aan het andere uiteinde van de kelder, stond het podium. Er was inderdaad een bandje dat zo te zien de instrumenten aan het stemmen was. Enkele toehoorders hadden plaatsgenomen op de krukjes. Het klopte niet.
“Wat doet die bar daar?” vroeg Lucy verbaasd. Ze had de vraag gesteld voor ze er erg in had. Eli keek haar met een opgetrokken wenkbrauw aan.

“Hoe weet je dat de bar daar niet hoort te staan? Heb je dat in je dromen gezien?”
Ze schudde haar hoofd. “In mijn dromen zag ik alleen maar een heleboel mensen. Ik kon enkel onderscheiden dat ik in een soort kelder was. Ik kon niet eens het podium zien. Maar er was geen bar hè?” Het liefst had ze geen bevestigend antwoord op die vraag gehad.
“Nee, die bar is er pas later gekomen.”
“En die ruimte daarachter ook hè?” Ze wees naar een soort van uitbouw. In nissen in de muur lag Beatles-memorabilia uitgestald. Het leek zo vertrouwd, maar ook zo volstrekt anders.
“Misschien moet je even gaan zitten,” zei Eli bezorgd. “Je ziet ineens zo wit.” Hij trok een kruk onder een tafeltje vandaan en zorgde dat ze daarop plaatsnam. Tot haar eigen verbazing voelde Lucy zich echter best goed. Het was vreemd om te zien dat de Cavern zo veranderd was. Voorzichtig keek ze naar het plafond. Daar zou in ieder geval nooit meer de smerige Cavernroos vanaf komen.

“Lucy, zeg eens wat?” Eli klonk echt bezorgd, hoewel dat volstrekt niet nodig was. Ze glimlachte naar hem.
“Ik voel me prima hoor.” De garderobe waarin ze Brin in die ene, afschuwelijke droom had ontmoet, was verdwenen. De tafeltjes waren nieuw. Ze staarde naar het kaarsje dat voor haar neus stond. Eli vroeg iets over drinken halen en stond op, maar ze hoorde hem nauwelijks.

Ze keek dromerig om zich heen. Daar, op dat podium, had hij hen voor het eerst gezien. Hij was onmiddellijk gecharmeerd van hen geweest. Op dat ogenblik had hij in een impuls besloten dat zij zijn nieuwe Vertellers zouden worden. Hij moest het al zo lang zonder stellen. Hij kon niet langer wachten. Het had erop geleken dat het werkte. De daaropvolgende zes jaren had het zeker gewerkt. Ze verspreidden zijn boodschap met zoveel effect dat hij het zelf haast niet kon geloven. Zijn surrogaat Vertellers bleken in staat te zijn de wereld op haar grondvesten te doen trillen en bestaande samenlevingen te laten veranderen. Dat alles was hier begonnen. En dit zou ook de plek zijn waar hij zijn nieuwe Verteller aan zich zou binden.

Met een schok schrok Lucy op uit haar overpeinzingen. Ze knipperde met haar ogen tegen het felle licht dat het waxinelichtje op tafel verspreidde. Het leek alsof ze zojuist uit een diepe slaap was ontwaakt. Ze wist echter zeker dat dat niet het geval was, hoewel ze dezelfde desoriëntatie voelde zoals ze die had wanneer ze plotseling uit een droom ontwaakte. Ze was zich bewust geweest van iets wat zich hier lang geleden had afgespeeld. Er zou zich hier iets veel verontrustenders nog gaan voltrekken.

Geschrokken van dat besef keek ze naar Eli, maar die leek volledig in de ban van het bandje op het podium dat inmiddels optrad. Ze stootte hem aan.
“Laten we gaan,” fluisterde ze gespannen. Ze zou eigenlijk moeten schreeuwen om boven het gitaargeweld uit te kunnen komen, maar iets hield haar tegen. Ze wilde Brin niet waarschuwen dat ze op het punt stond de Cavern Club uit te vluchten. Ze wist wat hij van plan was. Eli leek echter niet erg gecharmeerd van haar voorstel.

“Waarom? Laten we nog een tijdje blijven. Je ziet toch dat er hier niets met je kan gebeuren?” Hij legde zijn hand op de hare, maar zijn blik dwaalde alweer af naar het podium. Ze was niet gerustgesteld. Ze wist dat Brin hier ook ergens was en dat hij haar in de gaten hield. Ze verbeeldde zich dat ze in de schaduwen van het gewelf iets zag bewegen. Een beklemmend gevoel maakte zich van haar meester.

“Dan ga ik wel alleen,” besloot ze. Ze kon hier niet lijdzaam gaan zitten wachten. Ze schoof het krukje waar ze op zat naar achteren en stond op.
“Lucy, wacht nou! Waarom wil je nou weg? Het is hier toch gezellig? Ze spelen Beatlesliedjes!” Hij had de mouw van haar jas vastgepakt en keek haar haast smekend aan. Vaag drong de muziek tot haar door. Ze boog zich naar hem toe. Ze was banger dan ze eigenlijk wilde toegeven.

“Brin is hier,” siste ze. “Hij denkt na over een manier om mij aan hem te binden.”
Even leek het of Eli haar niet geloofde. Misschien dat hij dit juist opvatte als goed nieuws of misschien vond hij de Beatlesmuziek die de ruimte vulde uiteindelijk toch belangrijker. Hij wierp een aarzelende blik op het podium. Dit ging helemaal mis.

In paniek drukte Lucy haar handen tegen zijn slapen. Ik wil hier weg! Ik ben hier nog niet klaar voor! In gedachten slingerde ze de woorden naar zijn hoofd. In stilte schreeuwde ze het uit.
Het had een onverwachts effect. Eli’s ogen werden groot, terwijl hij zichtbaar moeite moest doen om niet van zijn kruk te vallen. Hij herstelde echter zijn evenwicht en stond op. Zonder iets te zeggen, pakte hij haar hand en vluchtte met haar de Cavern Club uit. Met twee treden tegelijk renden ze de trap op, de frisse buitenlucht in. Het regende inmiddels.

Lucy bleef niet staan om daar aandacht aan te besteden, maar rende door. Pas toen ze heel wat straten van Mathew Street verwijderd waren, vertraagde ze haar pas. Ze voelde een paar gemene steken in haar zij doordat ze zo snel had gelopen. Eli sprak als eerste.
“Wat was dat nou?” Hij leek niet vermoeid door de sprint die hij zojuist had getrokken, maar hij keek haar wel aan met een mengeling van verbijstering en geschoktheid. Ze wist niet zeker of hij haar vlucht uit de Cavern bedoelde of dat hij het had over de manier waarop ze hem duidelijk had gemaakt dat ze weg wilde.

“Ik kon daar niet blijven,” antwoordde ze, nog steeds naar adem happend. Het besef dat Brin vlakbij was geweest en dat ze misschien nog maar net aan hem had kunnen ontsnappen, drong nu pas tot haar door. Evenals het feit dat ze zich bewust was geweest van zijn gedachten en herinneringen. Hij wilde dat zij zijn Verteller werd. Voor de tweede maal had ze hem getrotseerd door te weigeren.

De paniek maakte zich wederom van haar meester. Piepend probeerde ze in te ademen. Het leek alsof haar keel dichtgeknepen werd. Met iedere ademteug die ze probeerde te nemen, werd het juist moeilijker. Haar ademhaling maakte een piepend geluid. Ze wilde tegen Eli zeggen dat ze geen lucht kreeg, maar dat lukte niet. Haast hysterisch gebaarde ze naar hem dat het niet goed ging. Ze zou stikken. Omdat ze geweigerd had Brins Verteller te zijn.